Erik Meganck is een Vlaams filosoof en theoloog die enkele jaren geleden het publieke intellectuele domein bestormde met zijn boek ‘religieus atheïsme’ (2021) waarvoor hij de prijs van het beste spirituele boek ontving. In dat boek maakt hij een rondje langs de velden van grote moderne denkers en vroeg zich af waarom -ondanks al het (post)modernisme- men er niet in slaagde God uit het Westerse denken te bannen. Hij concludeerde dat geen van deze grote denkers ooit de stelling heeft geponeerd dat God simpelweg niet bestaat, maar dat ze vooral gekant waren tegen het richtingloze Westerse metafysische denken. De grote denkers lieten expliciet ruimte voor het onuitspreekbare en hielden er dan ook een rijker en genuanceerder beeld op na dan het rabiate publieke atheïsme deed en doet vermoeden. Meganck spreekt in dat kader van a-theïsme: het staat niet voor een totale afwezigheid van God, maar biedt een opening om over God te spreken voorbij de dogmatische kaders van religies (theïsme).
In het verlengde van dit boek publiceerde hij eerder dit jaar een nieuwe publicatie met als titel ‘God. Naar een andere filosofie’. Daarin bouwt hij verder op dit thema. Hij daagt de lezer uit te breken met traditionele vastgeroeste godsvoorstellingen en zoekt naar een filosofische ruimte waar nieuw denken kan ontstaan over de naam ‘God’. Dat vereist breken met dogma’s en laat toe dat filosofie en theologie elkaar weer ontmoeten. Hij zoekt naar een taal om over het goddelijke te spreken zonder in de wolfsklemmen van de traditionele religieuze claims te vallen. Hij verkent diverse filosofische trajecten om te komen tot een nieuw soort beamen van God.
Nu is God als thema al een tijdje terug in de hedendaagse filosofie en de hoop op een andere invulling van het godsbegrip een gegeerd thema. Zo verscheen eerder dit jaar bij uitgeverij Otheo het boek van filosoof Jonas Slaats ‘Het ene in het vele. God over religies heen’, waarin hij God niet formuleert als iets binnen de werkelijkheid, maar als de grond van de werkelijkheid zelf, waarbij religies niet één en hetzelfde zijn, maar complementaire talen spreken om die ervaring van ‘eenheid en transcendentie’ te duiden. Deze vorm van epistemologische nederigheid zit ingebakken in de religieuze teksten maar dat kreeg allicht (veel) te weinig aandacht binnen het kader van de historische theorie van de kerkopbouw.
Meganck legt de dominante analytische filosofie, die enkel werkt binnen de kaders van de logica en de argumentatieleer, graag naast zich neer wegens ruim onvoldoende om het onmeetbare deel van de werkelijkheid te benaderen. Het grootste deel van het boek gaat Meganck op onderzoek uit vertrekkende vanuit dat filosofisch religieus atheïsme dat God als ultieme zijnsgrond verwerpt, en op zoek gaat naar een open ruimte waar er mogelijkheden kunnen ontstaan voor datgene dat de ratio overstijgt onder de premisse dat de werkelijkheid niet volledig ‘kenbaar’ is. God is weg maar het spreken over God niet. Hij laat daarbij denkers als John Caputo (God is het ‘aandringen’ op en een roep om liefde, rechtvaardigheid en het onbekende), Jacques Derrida (God is het onnoembare, dat alleen kan gekend worden door het benaderen van ‘la différence’ (betekenis ligt nooit volledig vast, het transcendente laat zich dan ook nooit grijpen) en Gianni Vattimo op wiens denken Meganck reeds eerder doctoreerde (God is kwetsbaarheid en liefde, ontledigt van iedere vorm van macht in de figuur van Jezus Christus, waarbij secularisatie niet het geloof afbreekt maar verwezenlijkt, waardoor het toleranter en milder wordt).
Meganck prefereert- in lijn met de Duitse cultuurfilosoof Peter Sloterdijk- theopoëzie om over God te spreken. Maar daarmee laten we de demonen van het postmodernisme weer langs de achterdeur binnen. Door het spreken over God te reduceren tot ‘literatuur’ of ‘levensversiering’ miskent men een geleefde religieuze realiteit, het existentiële van de transcendente kern dat zich manifesteert in elk menselijk bestaan. Het ontneemt ook iedere mogelijke vorm van maatschappijkritiek en ethisch corrigerend denkvermogen dat vanuit een transcendente connectie kan ontstaan. Of nog maar te zwijgen over het feit dat het geen grond biedt voor een praktische geloofshouding voor iedere dag. Theopoëzie mag dan wel religie in zijn huidige vorm onschadelijk maken, het biedt niet meer dan een intellectuele roes of hobby en miskent de rauwe dwingende realiteit van het geleefde en doorleefde geloof.
Maar Meganck is voldoende eerlijk om het postmoderne in zijn denken expliciet te maken en het onderwerp te benaderen vanuit diverse hoeken en horizonten. Hij zoekt, tast en meandert. Hij struikelt tijdens die zoektocht nu en dan over iets interessants en lost dan met enige regelmaat interessante verbale kanonschoten. Maar hij slaagt er naar mijn smaak niet voldoende in om dit geheel van inzichten een dragend vermogen te schenken, maar misschien was dat nooit de bedoeling. Openheid en ontvankelijkheid zijn ‘an sich’ niet zingevend. In het ergste geval eindig je met het rennen van rondjes in je hoofd. De grote religieuze verhalen bieden zingeving, voorzien morele vorming, bieden sociale cohesie en dragen soms moeilijk formuleerbare inzichten intergenerationeel over.
Het is een boek dat ik alleen maar kan aanraden, maar neem de tijd. Het is geen strandlectuur maar zal bij volharding een rijkdom aan inzichten opleveren.
Erik Meganck, (2026), God. Naar een andere filosofie, Kokboekencentrum, Utrecht, pp. 287.
Dr. Luc Nijs is proponent binnen het netwerk van de Verenigde Protestantse Kerken in België (VPKB) en voorzitter van de kerkenraad van de VPKB Turnhout.

